Bijzondere politieverordening betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (GAS 4) voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties wordt goedgekeurd.
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen, inzonderheid artikel 40 en 41 betreffende de bevoegdheden van de gemeenteraad;
Gelet op de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties;
Gelet op het Koninklijk Besluit van 14 januari 2026 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 9 maart 20214 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende het stilstaan en het parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103, vastgesteld met automatisch werkende toestellen;
Gelet op de gemeenteraadsbeslissing d.d. 27 januari 2025 houdende goedkeuring bijzondere politieverordening betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103 vastgesteld met automatisch werkende toestellen;
Gelet op de Algemene politieverordening, zoals gewijzigd;
Overwegende dat de volgende wijzigingen zijn aangebracht:
Gelet op de permanente nota van de politie d.d. 6 februari 2026 houdende de hogervermelde wijzigingen;
De bijzondere politieverordening betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen betreffende het stilstaan en parkeren en voor de overtredingen betreffende de verkeersborden C3 en F103 vastgesteld met automatisch werkende toestellen goedgekeurd in de gemeenteraad van 27 januari 2025 wordt opgeheven op 1 maart 2026
De hiernavolgende bijzondere politieverordening wordt goedgekeurd.
Inhoudstafel
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Doel
Artikel 2. Definities
Artikel 3. Toepassingsgebied
Artikel 4. Doelgroep
Hoofdstuk 2. Overtredingen van de eerste categorie
Artikel 5. Parkeren in erven en woonerven
Artikel 6. Parkeren in voetgangerszones
Artikel 7. Opstelling stilstaand of geparkeerd voertuig ten opzichte van de rijrichting
Artikel 8. Stilstaan of parkeren op een berm
Artikel 9. Stilstaan of parkeren volledig of deel op de rijbaan
Artikel 10. Opstelling fietsen, voortbewegingstoestellen of tweewielige bromfietsen
Artikel 11. Opstelling motorfietsen
Artikel 12. Stilstaan of parkeren op plaatsen waar gevaar veroorzaakt kan worden of onnodige hinder zou veroorzaken
Artikel 13. Parkeren op specifieke plaatsen zoals omschreven in artikel 25.1, 1°, 2°, 3°, 5°, 8° tot 13° en 15° van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (art. 25.1 KB 1/12/1975)
Artikel 14. Onjuiste aanduiding parkeerschijf
Artikel 15. Parkeren onrijvaardige motorvoertuigen en aanhangwagens
Artikel 16. Parkeren auto’s, slepen en aanhangwagens met een MTM van meer dan 7,5 ton
Artikel 17. Parkeren reclamevoertuigen
Artikel 18. Gebruik gehandicaptenkaart
Artikel 19. Verkeersborden betreffende het stilstaan en parkeren
Artikel 20. Verkeersbord halfmaandelijks parkeren
Artikel 21. Stilstaan en parkeren op verkeersgeleiders en verdrijvingsvakken
Artikel 22. Niet respecteren van witte markeringen (art. 77.5, eerste lid KB 1/12/1975)
Artikel 23. Stilstaan en parkeren op dambordmarkeringen
Artikel 24. Verboden toegang, in beide richtingen, voor iedere bestuurder
Artikel 25. Verkeer in voetgangerszones
Artikel 26. Fietszone
Hoofdstuk 3. Overtredingen van de tweede categorie
Artikel 27. Stilstaan en parkeren op autowegen
Artikel 28. Stilstaan en parkeren op specifieke plaatsen zoals omschreven in artikel 24, lid1 1°, 2°, 4° tot en met 6° van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (art. 24 lid 1 KB 1/12/1975)
Artikel 29. Parkeren op specifieke plaatsen zoals omschreven in artikel 25.1, 4°, 6°, 7° van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (art. 25.1 KB 1/12/1975) 13
Artikel 30. Parkeren op voorbehouden parkeerplaatsen voor personen met een handicap
Hoofdstuk 4. Sanctionering
Artikel 31. Overtredingen van de eerste categorie
Artikel 32. Overtredingen van de tweede categorie
Hoofdstuk 5. Procedure
Artikel 33. Inkennisstelling
Artikel 34. Betaling - Verweer
Artikel 35. Verweer ongegrond
Artikel 36. Aanmaning
Artikel 37. Gedwongen uitvoering - Beroep
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 38. Bekendmaking
Artikel 39. Inwerkingtreding
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Doel
Deze bijzondere politieverordening geeft uitvoering aan artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties, dat bepaalt dat de gemeenteraad kan voorzien in een administratieve geldboete voor de inbreuken opgesomd in het Koninklijk Besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3, 3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en latere wijzigingen;
Artikel 2. Definities
De definities opgenomen in het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en latere wijzigingen zijn evenzeer van toepassing op onderhavige politieverordening;
Bestuurder: al wie een voertuig bestuurt of trek-, last en rijdieren of vee geleidt of bewaakt;
Weggebruikers: elke persoon die gebruik maakt van de openbare weg;
Auto: elk motorvoertuig, met inbegrip van de trolleybus, dat niet beantwoordt aan de bepalingen van de bromfiets, van de motorfiets, van de drie- en van de vierwieler met motor;
Voertuig: elk middel van vervoer te land, evenals alle verrijdbaar landbouw- of bedrijfsmaterieel;
Motorvoertuig: elk voertuig uitgerust met een motor, bestemd om op eigen kracht te rijden;
Stilstaand voertuig: een voertuig dat niet langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken;
Geparkeerd voertuig: een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken. Tanken of de batterij van een elektrisch of hybride elektrisch voertuig opladen wordt beschouwd als parkeren;
Motorfiets: elk tweewielig motorvoertuig met of zonder zijspanwagen en dat niet beantwoordt aan de bepaling van de bromfiets. Bevestiging van een aanhangwagen aan een motorfiets brengt geen wijziging in de classificatie van dit voertuig;
Bromfiets:
1) ofwel een “bromfiets klasse A”, dit wil zeggen elk twee- of driewielig voertuig uitgerust met een motor met inwendige verbranding waarvan de cilinderinhoud ten hoogste 50 cm³ bedraagt met een netto-maximumvermogen van ten hoogste 4 kW, of met een elektrische motor met een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km per uur, met uitsluiting van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen;
2) ofwel een “bromfiets klasse B”, dit wil zeggen:
a) elk tweewielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A en van de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur en met de volgende kenmerken:
b) elk drie- of vierwielig voertuig, met uitsluiting van de bromfietsen klasse A, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km per uur en met de volgende kenmerken:
Voor vierwielige bromfietsen met een gesloten bestuurders- en passagiersruimte die maximaal van drie zijden toegankelijk is, bedraagt het netto-maximumvermogen of het nominaal continu maximumvermogen ten hoogste 6 kW;
3) ofwel een “speed pedelec”, dit wil zeggen elk tweewielig voertuig met pedalen, met uitsluiting van de gemotoriseerde rijwielen, met een hulpaandrijving met als hoofddoel trapondersteuning waarvan de aandrijfkracht wordt onderbroken bij een voertuigsnelheid van maximum 45 km per uur, en met de volgende kenmerken:
Autosnelweg: de openbare weg waarvan het begin of de oprit aangeduid is met het verkeersbord F5 en het einde met het verkeersbord F7;
Autoweg: de openbare weg waarvan het begin aangeduid is met het verkeersbord F9 en het einde met het verkeersbord F11;
Fietspad: het deel van de openbare weg dat voor het verkeer van fietsen en tweewielige bromfietsen klasse A is voorbehouden door de verkeersborden D7, D9 of door de wegmarkeringen bedoeld in artikel 74. Het fietspad maakt geen deel uit van de rijbaan;
Trottoir: het gedeelte van de openbare weg, al dan niet verhoogd aangelegd ten opzichte van de rijbaan, in ’t bijzonder ingericht voor het verkeer van voetgangers. Het trottoir is verhard en de scheiding ervan met de andere gedeelten van de openbare weg is duidelijk herkenbaar voor alle weggebruikers. Het feit dat het verhoogd trottoir over de rijbaan doorloopt, brengt geen wijziging aan zijn bestemming;
Rijbaan: het deel van de openbare weg dat voor het voertuigenverkeer in het algemeen is ingericht;
Rijstrook: elk deel van een rijbaan die in haar langsrichting verdeeld is door één of meer witte doorlopende of onderbroken strepen of door voorlopige markeringen die bestaan uit hetzij oranje doorlopende of onderbroken strepen hetzij doorlopende of onderbroken strepen gevormd door oranje spijkers;
Kruispunt: de plaats waar twee of meer openbare wegen samenlopen;
Overweg: de gehele of gedeeltelijke kruising van een openbare weg door een of meer buiten de rijbaan aangelegde sporen;
Voetganger: een persoon die zich te voet verplaatst. De personen die een kruiwagen, een kinderwagen, een rolstoel of enig ander voertuig zonder motor dat geen bredere dan de voor de voetgangers vereiste ruimte nodig heeft, aan de hand leiden en de personen die een fiets, een gemotoriseerd rijwiel of een tweewielige bromfiets aan de hand leiden, worden gelijkgesteld met voetgangers;
Voetgangerszone: een of meer openbare wegen waarvan de toegang aangeduid is met het verkeersbord F103 en de uitgang met het verkeersbord F105;
Erf: zone waarvan de kenmerken overeenstemmen met die van het woonerf, maar waar de activiteiten verruimd kunnen zijn tot ambacht, handel, toerisme, onderwijs en recreatie;
Woonerf: één of meer speciaal ingerichte openbare wegen waarvan de toegangen zijn aangeduid met verkeersborden F12a, en de uitgangen met verkeersborden F12b. In het woonerf overweegt de woonfunctie;
Gelijkgrondse berm: de ruimte, onderscheiden van het trottoir en het fietspad, begrepen tussen enerzijds de rijbaan en anderzijds een sloot, een talud, de grenzen van eigendommen, die zich op hetzelfde hoogteniveau bevindt als de rijbaan en gevolgd mag worden door de weggebruikers, bepaald onder de voorwaarden van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
De gelijkgrondse berm is meestal niet met verhard materiaal aangelegd en moeilijk begaanbaar voor de voetgangers;
Middenberm: elke aanleg in de lengterichting om de rijbanen te scheiden, behalve wegmarkeringen;
Verhoogde berm: een ruimte die hoger ligt dan het rijbaanniveau, onderscheiden van het trottoir en het fietspad, en die tussen deze rijbaan ligt en een sloot, een talud, of grenzen van eigendommen;
De verhoogde berm is meestal niet met verhard materiaal aangelegd en moeilijk begaanbaar voor voetgangers;
Verkeersgeleider: een inrichting die op de rijbaan is aangebracht en die bestemd is om het voertuigenverkeer te kanaliseren; de verkeersgeleider bestaat uit een wegmarkering, ofwel uit een verhoging op de rijbaan, ofwel uit beide elementen samen;
Bebouwde kom: een gebied met bebouwing en waarvan de invalswegen aangeduid zijn met de verkeersborden F1, F1a of F1b, en de uitvalswegen met de verkeersborden F3, F3a of F3b;
Aanhangwagen: elk voertuig dat bestemd is om door een ander te worden voortbewogen;
Lading: elk goed of materiaal dat door een voertuig wordt vervoerd;
Maximale toegelaten massa: de maximale totale massa van het voertuig, bepaald volgens de weerstand van de onderdelen van het chassis overeenkomstig de voorschriften van het technisch reglement van de auto's;
Parkeerstrook: op een andere openbare weg dan een autosnelweg of autoweg, de strook gelegen langs de rijbaan die is afgebakend door de witte doorlopende streep bedoeld in artikel 75.2 die de denkbeeldige rand van de rijbaan aanduidt;
Zijdelingse strook: de strook gelegen langs de middenrijbaan. De zijdelingse strook maakt geen deel uit van de rijbaan;
Verhoogde inrichting: een verhoogde aanleg die dwars op de openbare weg is aangebracht en die bestemd is om de snelheid te matigen.
Voortbewegingstoestel:
1° ofwel een "niet-gemotoriseerd voortbewegingstoestel", dit wil zeggen elk voertuig dat niet beantwoordt aan de definitie van rijwiel, dat door de gebruiker of de gebruikers door middel van spierkracht wordt voortbewogen en niet met een motor is uitgerust;
2° ofwel een “gemotoriseerd voortbewegingstoestel”, dit wil zeggen elk motorvoertuig met één of meer wielen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van 25 km per uur, onder meer:
a) elektrische rolstoelen;
b) elektrische rolwagens voor personen met verminderde mobiliteit;
c) gemotoriseerde autopeds;
d) zelf balancerende een- of tweewielige elektrische toestellen.
Voor de toepassing van dit besluit worden de gemotoriseerde voortbewegingstoestellen niet gelijkgesteld met motorvoertuigen;
Het niet bereden voortbewegingstoestel wordt niet als voertuig beschouwd;
Artikel 3. Toepassingsgebied
Deze politieverordening is van toepassing op het grondgebied van de gemeente Merchtem, met uitzondering van de autosnelwegen die dit grondgebied doorkruisen;
Artikel 4. Doelgroep
Deze politieverordening is van toepassing op iedere meerderjarige natuurlijke persoon en iedere rechtspersoon die zich op het grondgebied van de gemeente Merchtem bevindt, ongeacht zijn woonplaats of ligging van de maatschappelijke zetel;
Hoofdstuk 2. Overtredingen van de eerste categorie
Artikel 5. Parkeren in erven en woonerven (art. 22 bis, 4°,a) KB 1/12/1975)
Binnen de woonerven en de erven, is het parkeren verboden, behalve:
Artikel 6. Parkeren in voetgangerszones (art. 22 sexies2 KB 1/12/1975)
In voetgangerszones is het parkeren verboden;
Artikel 7. Opstelling stilstaand of geparkeerd voertuig ten opzichte van de rijrichting (art. 23.1,1° KB 1/12/1975)
Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld rechts ten opzichte van zijn rijrichting. Indien het een rijbaan is met éénrichtingsverkeer, mag het evenwel langs de ene of langs de andere kant opgesteld worden;
Artikel 8. Stilstaan of parkeren op een berm (art. 23.1,2° KB 1/12/1975)
Elk stilstaand of geparkeerd voertuig moet worden opgesteld :
Artikel 9. Stilstaan of parkeren volledig of deel op de rijbaan (art. 23.2 KB 1/12/1975)
Elk voertuig dat volledig of ten dele op de rijbaan opgesteld is, moet geplaatst worden:
1° zover mogelijk van de aslijn van de rijbaan;
2° evenwijdig met de rand van de rijbaan, behoudens bijzondere plaatsaanleg;
3° in één enkele file;
Motorfietsen zonder zijspan of aanhangwagen mogen evenwel haaks op de rand van de rijbaan parkeren voor zover zij daarbij de aangeduide parkeermarkering niet overschrijden;
Artikel 10. Opstelling fietsen, voortbewegingstoestellen of tweewielige bromfietsen (art. 23.3 KB 1/12/1975)
Fietsen, voortbewegingstoestellen en tweewielige bromfietsen moeten buiten de rijbaan en de parkeerstroken bedoeld in artikel 75.2 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken, behalve op plaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3°.f en 77.5, tweede lid van voormeld Koninklijk Besluit;
De voortbewegingstoestellen die bestemd zijn voor personen met een verminderde mobiliteit mogen altijd buiten de rijbaan en die parkeerstroken opgesteld worden;
Artikel 11. Opstelling motorfietsen (art. 23.4 KB 1/12/1975)
Motorfietsen mogen buiten de rijbaan en de parkeerstroken bedoeld in artikel 75.2 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer van het gebruik van de openbare weg, opgesteld worden zonder het verkeer van de andere weggebruikers te hinderen of onveilig te maken.
Artikel 12. Stilstaan of parkeren op plaatsen waar gevaar veroorzaakt kan worden of onnodige hinder zou veroorzaken (art. 24, lid 1, 2°, 4°, 7° tot 11° KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid:
1° Op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;
2° Op de rijbaan op 3 meter of meer doch op minder dan 5 meter voor de oversteekplaatsen voor voetgangers en de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen;
3° In de nabijheid van de kruispunten, op minder dan 5 meter van de verlenging van de naast bijgelegen rand van de dwarsrijbaan, behoudens plaatselijke reglementering;
4° Op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten op de kruispunten, behoudens plaatselijke reglementering;
5° Op minder dan 20 meter voor de verkeerslichten buiten de kruispunten behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeerslichten zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt;
6° Op minder dan 20 meter voor de verkeersborden behalve voor voertuigen waarvan de hoogte, lading inbegrepen, niet meer dan 1,65 m bedraagt, wanneer de onderkant van die verkeersborden zich ten minste 2 meter boven de rijbaan bevindt;
7° Op de verhoogde inrichtingen, behoudens plaatselijke reglementering;
Artikel 13. Parkeren op specifieke plaatsen zoals omschreven in artikel 25.1, 1°, 2°, 3°, 5°, 8° tot 13° en 15° van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (art. 25.1 KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te parkeren:
1° Op minder dan 1 meter zowel voor als achter een ander stilstaand of geparkeerd voertuig en op elke plaats waar het voertuig het instappen in of het wegrijden van een ander voertuig zou verhinderen;
2° Op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bord dat een autobus-, trolleybus- of tramhalte aanwijst;
3° Voor de inrij van eigendommen, behalve de voertuigen waarvan het inschrijvingsteken leesbaar op die inrij is aangebracht;
4° Op elke plaats waar het voertuig de toegang tot buiten de rijbaan aangelegde parkeerplaatsen zou verhinderen;
5° Buiten de bebouwde kommen op de rijbaan van een openbare weg waarop het verkeersbord B9 is aangebracht;
B9
6° Op de rijbaan wanneer deze verdeeld is in rijstroken, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a of E9b is aangebracht;
E9a
E9b
7° Op de rijbaan langs de gele onderbroken streep, bedoeld in artikel 75.1.2° van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
8° Op rijbanen met tweerichtingsverkeer tegenover een ander stilstaand of geparkeerd voertuig, wanneer twee andere voertuigen daardoor elkaar moeilijk zouden kunnen kruisen;
9° Op de middelste rijbaan van een openbare weg met drie rijbanen;
10° Buiten de bebouwde kommen, langs de linkerkant van een rijbaan van een openbare weg met twee rijbanen of op de middenberm die deze rijbanen scheidt;
11° Op de zijdelingse stroken bedoeld in artikel 75.3 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
Artikel 14. Onjuiste aanduiding parkeerschijf (art. 27.1.3 KB 1/12/1975)
Het is verboden onjuiste aanduidingen op de schijf te laten verschijnen. De aanduidingen van de schijf mogen niet gewijzigd worden voordat het voertuig de parkeerplaats verlaten heeft;
Artikel 15. Parkeren onrijvaardige motorvoertuigen en aanhangwagens (art. 27.5.1 KB 1/12/1975)
Het is verboden op de openbare weg motorvoertuigen die niet meer kunnen rijden en aanhangwagens langer dan vierentwintig uur na elkaar te parkeren;
Artikel 16. Parkeren auto’s, slepen en aanhangwagens met een MTM van meer dan 7,5 ton (art. 27.5.2 KB 1/12/1975)
Binnen de bebouwde kommen is het verboden op de openbare weg auto’s, slepen en aanhangwagens met een maximale toegelaten massa van meer dan 7,5 ton langer dan acht uur na elkaar te parkeren, behalve op de plaatsen waar het verkeersbord E9a, E9c of E9d is aangebracht;
E9a
E9c
E9d
Artikel 17. Parkeren reclamevoertuigen (art. 27.5.3 KB 1/12/1975)
Het is verboden op de openbare weg reclamevoertuigen langer dan drie uur na elkaar te parkeren;
Artikel 18. Gebruik gehandicaptenkaart (art. 27bis KB 1/12/1975)
Het niet hebben aangebracht van de speciale kaart bedoeld in artikel 27.4.3 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg of het door artikel 27.4.1 van hetzelfde besluit hiermee gelijkgesteld document op de binnenkant van de voorruit of, als er geen voorruit is, op het voorste gedeelte van het op een voorbehouden parkeerplaats voor personen met een handicap geparkeerde voertuig.
Artikel 19. Verkeersborden betreffende het stilstaan en parkeren (art. 70.2.1 KB 1/12/1975)
Verkeersborden E1, E3, E5, E7 en van type E9 betreffende het stilstaan en parkeren niet in acht nemen.
E1
E3
E5
E7
E9a
E9b
E9c
E9d
Artikel 20. Verkeersbord halfmaandelijks parkeren (art. 70.3 KB 1/12/1975)
Het verkeersbord E11 niet in acht nemen;
E11
Artikel 21. Stilstaan en parkeren op verkeersgeleiders en verdrijvingsvakken (art. 77.4 KB 1/12/1975)
Het stilstaan of parkeren is verboden op markeringen van verkeersgeleiders en verdrijvingsvlakken;
Artikel 22. Niet respecteren van witte markeringen (art. 77.5, eerste lid KB 1/12/1975)
Het niet respecteren van de witte markeringen die de plaatsen afbakenen waar de voertuigen moeten staan, bedoeld in artikel 77.5 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
Artikel 23. Stilstaan en parkeren op dambordmarkeringen (art. 77.8 KB 1/12/1975)
Het stilstaan of parkeren is verboden op de dambordmarkering die bestaat uit witte vierkanten die op de grond zijn aangebracht;
Artikel 24. Verboden toegang, in beide richtingen, voor iedere bestuurder (art. 68.3 KB 1/12/1975)
Het niet in acht nemen van het verkeersbord C3;
C3
Artikel 25. Verkeer in voetgangerszones (art. 71 KB 1/12/1975)
Het niet in acht nemen. van het verkeersbord F103;
F103
Artikel 26. Fietszone (art. 71.2 KB 1/12/1975)
Het niet in acht nemen van het verkeersbord F111, behalve wat de snelheidsbeperking betreft;
F111
Hoofdstuk 3. Overtredingen van de tweede categorie
Artikel 27. Stilstaan en parkeren op autowegen (art. 22.2 juncto art. 21.4, 4° KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of parkeren op autowegen, behalve op de parkeerstroken, aangewezen door het verkeersbord E9a;
E9a
Artikel 28. Stilstaan en parkeren op specifieke plaatsen zoals omschreven in artikel 24, lid1 1°, 2°, 4° tot en met 6° van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg (art. 24 lid 1 KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te parkeren op elke plaats waar het duidelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de andere weggebruikers of waar het hun onnodig zou kunnen hinderen, inzonderheid:
1° Op de trottoirs en binnen de bebouwde kommen, op de verhoogde bermen, behoudens plaatselijke reglementering;
2° Op de fietspaden en op minder dan 3 meter van de plaats waar de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen verplicht zijn het fietspad te verlaten om op de rijbaan te rijden of de rijbaan te verlaten om op het fietspad te rijden;
3° Op de oversteekplaatsen voor voetgangers, op de oversteekplaatsen voor fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen en op de rijbaan op minder dan 3 meter voor deze oversteekplaatsen;
4° Op de rijbaan in de onderbruggingen, in de tunnels en behoudens plaatselijke reglementering onder de bruggen;
5° Op de rijbaan nabij de top van een helling en in een bocht wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is;
Artikel 29. Parkeren op specifieke plaatsen zoals omschreven in artikel 25.1, 4°, 6°, 7° van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer
en van het gebruik van de openbare weg (art. 25.1 KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te parkeren:
1° Op de plaatsen waar de voetgangers en de fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen op de rijbaan moeten komen om omheen een hindernis te gaan of te rijden;
2° Op de plaatsen waar de doorgang van spoorvoertuigen zou belemmerd worden;
3° Wanneer de vrije doorgang op de rijbaan minder dan 3 meter breed zou worden;
Artikel 30. Parkeren op voorbehouden parkeerplaatsen voor personen met een handicap (art. 25.1,14° KB 1/12/1975)
Het is verboden een voertuig te parkeren op de parkeerplaatsen gesignaleerd zoals voorzien in artikel 70.2.1.3°c, van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg behalve voor de voertuigen gebruikt door personen met een handicap die in het bezit zijn van een speciale kaart zoals bedoeld in artikel 27.4.1 of 27.4.3 van het Koninklijk Besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
Hoofdstuk 4. Sanctionering
Artikel 31. Overtredingen van de eerste categorie
Overtredingen van artikelen uit hoofdstuk 2 van deze bijzondere politieverordening worden gesanctioneerd met een administratieve geldboete zoals bepaald in het Koninklijk Besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3,3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en latere wijzigingen;
Artikel 32. Overtredingen van de tweede categorie
Overtredingen van artikelen uit hoofdstuk 3 van deze bijzondere politieverordening worden gesanctioneerd met een administratieve geldboete zoals bepaald in het Koninklijk Besluit van 9 maart 2014 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties voor de overtredingen bedoeld in artikel 3,3° van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en latere wijzigingen;
Hoofdstuk 5. Procedure
Artikel 33. Inkennisstelling
De sanctionerende ambtenaar deelt binnen de vijftien dagen na ontvangst van de vaststelling van de inbreuk, bij gewone zending, aan de overtreder de gegevens mee met betrekking tot de vastgestelde feiten en de begane inbreuk, alsook het bedrag van de administratieve geldboete;
Artikel 34. Betaling - Verweer
De administratieve boete wordt betaald door de overtreder binnen de dertig dagen na de kennisgeving ervan, tenzij de overtreder binnen deze termijn zijn verweermiddelen bij gewone zending laat geworden aan de sanctionerend ambtenaar. De overtreder kan binnen deze termijn op zijn verzoek gehoord worden wanneer het bedrag van de administratieve geldboete hoger ligt dan 70 euro;
Artikel 35. Verweer ongegrond
Verklaart de sanctionerend ambtenaar de verweermiddelen niet gegrond, dan brengt hij de overtreder hiervan op een met redenen omklede wijze bij gewone zending op de hoogte met verwijzing naar de te betalen administratieve geldboete die binnen een nieuwe termijn van dertig dagen na deze kennisgeving moet worden betaald.
Artikel 36. Aanmaning
Wordt de administratieve geldboete niet betaald binnen de eerste termijn van dertig dagen, dan wordt, behoudens in geval van verweermiddelen, een herinnering verstuurd bij gewone zending met uitnodiging tot betaling binnen een nieuwe termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van die herinnering;
Artikel 37. Gedwongen uitvoering - Beroep
De beslissing van de sanctionerend ambtenaar om een boete op te leggen, kan gedwongen worden uitgevoerd indien de boete niet werd betaald binnen de termijn van dertig dagen na de herinnering zoals bepaald in artikel 36 van deze verordening, tenzij de overtreder binnen deze termijn een beroep instelt bij de Politierechtbank;
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 38. Bekendmaking
Deze bijzondere politieverordening wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 287 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Een afschrift van deze politieverordening wordt toegestuurd aan het Provinciebestuur van de Provincie Vlaams-Brabant, de Procureur des Konings van Halle - Vilvoorde, de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, de griffie van de politierechtbank te Vilvoorde, aan de korpschef van de politiezone AMOW;
Artikel 39. Inwerkingtreding
Deze bijzondere politieverordening treedt in werking op 1 maart 2026.