Er wordt met ingang van 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 een belasting gevestigd op de tweede verblijven.
Gelet op de gecoördineerde Grondwet, artikel 41, 162 en 170, § 4;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur, artikel 40 en 41;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, zoals gewijzigd;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit;
Overwegende dat het bestaande gemeentelijk reglement betreffende belasting op tweede verblijven 2020-2025 dient te worden hernieuwd;
Overwegende dat de gemeente de bevoegdheid heeft om een eigen beleid te voeren over tweede verblijven. Dit reglement kadert binnen die autonomie en beoogt een transparante en rechtvaardige toepassing van de belasting op tweede verblijven;
Overwegende dat de gemeente met deze belasting op tweede verblijven een evenwichtige bijdrage wenst te verzekeren van alle gebruikers van haar grondgebied aan de financiering van de gemeentelijke dienstverlening en infrastructuur. Gebruikers van een tweede verblijf zijn, hoewel zij op dit adres niet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, regelmatig aanwezig in de gemeente en maken gebruik van gemeentelijke voorzieningen zoals afvalophaling, openbare veiligheid, onderhoud van wegen en groen, recreatieve en culturele infrastructuur, enzovoort;
Overwegende dat de gebruikers van het tweede verblijf niet bijdragen via de aanvullende personenbelasting, waardoor een onevenwicht ontstaat in de verdeling van de kosten voor deze dienstverlening;
Overwegende dat de belasting niet is bedoeld is als een loutere ‘weeldebelasting’, maar als een evenwichtige compensatie voor het gebruik van gemeentelijke diensten en als instrument om de lokale woonmarkt te ondersteunen;
Overwegende dat deze motieven in overeenstemming zijn met de richtlijnen uit de omzendbrief KB/ABB 2019/2 en rekening houden met de recente rechtspraak, die vereist dat het onderscheid tussen inwoners en tweedeverblijvers objectief en redelijk wordt verantwoord;
Overwegende dat er geen hogere regelgeving bestaat die gemeenten verplicht om een uniforme definitie van tweede verblijf te hanteren. De gemeente kiest er daarom voor om zich te baseren op de richtinggevende definitie zoals opgenomen in de omzendbrief KW ABB 2019/2 over de gemeentefiscaliteit, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 15 februari 2019. Volgens deze omzendbrief wordt een tweede verblijf omschreven als:
“Elke private woongelegenheid die niet het hoofdverblijf vormt van de eigenaar of de huurder, maar die wel op elk moment door hem kan worden bewoond. Tweede verblijven zijn landhuizen, bungalows, appartementen, weekendhuisjes, optrekjes en alle andere vaste woongelegenheden, met inbegrip van de met chalets gelijkgestelde caravans, die al of niet ingeschreven zijn in de kadastrale legger.
Lokalen die uitsluitend bestemd zijn om een beroepsactiviteit uit te oefenen, garages, tenten, verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens worden niet als tweede verblijf beschouwd. Op tenten, verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens kan eventueel wel een belasting op het kamperen van toepassing zijn.”
Overwegende dat de rechtspraak stelt dat een belasting op tweede verblijven gematigd moet zijn en niet mag fungeren als een sanctie. Het tarief wordt doorgaans forfaitair vastgesteld, met een vast bedrag per tweede verblijf. De gemeente behoudt de mogelijkheid om het tarief te differentiëren op basis van objectieve criteria zoals ligging, oppervlakte of waarde van het verblijf;
Overwegende dat het reglement een belastingverhoging voorziet bij niet-naleving van de aangifteplicht. De belastingverhoging is noodzakelijk om de correcte toepassing van het reglement te waarborgen, fraude te voorkomen en de belastingplichtigen te motiveren hun aangifteverplichtingen na te komen. De verhogingen zijn proportioneel, wettelijk begrensd en dragen bij aan een rechtvaardige belastingheffing;
Overwegende dat volgende wijzigingen worden doorgevoerd:
Overwegende dat het reglement werd opgesteld met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur;
Overwegende dat de ontvangsten voorzien zijn in het meerjarenplan 2026-2031;
Artikel 1
Er wordt met ingang van 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 een belasting gevestigd op de tweede verblijven;
Artikel 2 - Begripsomschrijvingen
Artikel 3 - Uitzonderingen
§1. Worden niet beschouwd als een tweede verblijf:
Artikel 4 - Aangifteplicht
§1. De belastingplichtige ontvangt jaarlijks van het gemeentebestuur een herinnering tot het indienen van de aangifte van het tweede verblijf;
§2. Het niet-ontvangen van een herinnering ontslaat de belastingplichtige niet van de verplichting om spontaan aangifte te doen;
§3. De belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger dient jaarlijks, uiterlijk op 1 juni van het aanslagjaar, de aangifte van het tweede verblijf in via het e-loket of met het aangifteformulier dat beschikbaar wordt gesteld op de gemeentelijke website;
§4. De administratie kan bijkomende bewijsstukken opvragen en/of een controle ter plaatse uitvoeren;
§5. Bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn, of ingeval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, wordt de belasting ambtshalve gevestigd mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 voorziene bepalingen;
§6. De tweede verblijven worden bijgehouden in een gemeentelijk register;
Artikel 5 - Belastingplichtige
§1. De belasting is éénmalig en voor het volledige jaar verschuldigd per woning zonder inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister of waarvoor nog geen aanvraag tot inschrijving is ingediend en die effectief wordt gebruikt op 1 januari van het aanslagjaar;
§2. De belasting is verschuldigd door diegene die op 1 januari van het aanslagjaar op het adres van het tweede verblijf niet in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister is ingeschreven voor het hoofdverblijf en:
§3. Bij betwisting over het gebruik van het tweede verblijf is de belasting verschuldigd door de houder van het zakelijk recht op 1 januari van het aanslagjaar;
§4. Bij mede-eigendom wordt de belasting pro rata verdeeld volgens het eigendomsaandeel, maar alle mede-eigenaars zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de volledige belasting;
§4. Bij verkoop in de loop van het jaar is de belasting ondeelbaar en is de belasting verschuldigd door de eigenaar van het zakelijk recht op 1 januari van het aanslagjaar;
Artikel 6 - Tarief van de belasting
§1. De belasting bedraagt: € 1.500 per jaar en per tweede verblijf;
§2. Ontvangt de houder van het zakelijk recht een vrijstelling op basis van artikel 11 dan wordt de belasting berekend op basis van het aantal volledige maanden dat de woning niet gebruikt werd als opvanglocatie. Aantal maanden dat de woning niet gebruikt werd als opvanglocatie ÷ 12 × € 1.500;
Artikel 7 - Belastingverhoging
§1. In het geval van de ambtshalve vestiging van de belasting zoals vermeld in artikel 4§5 van dit reglement, wordt de belasting verhoogd:
Artikel 8 - Inkohiering
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat periodiek vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen;
Artikel 9 - Wijze van inning
De kohieren worden ingevorderd door de financieel directeur volgens de vigerende wetgeving;
De belasting is eisbaar binnen de twee maanden na het toezenden van het aanslagbiljet;
Artikel 10 - Bezwaarprocedure
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan bezwaar indienen volgens de modaliteiten voorzien in artikel 9 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Artikel 11 - Vrijstelling
§1. Een tweede verblijf dat tijdelijk wordt gebruikt als opvanglocatie voor personen in acute noodsituaties kan in aanmerking komen voor een vrijstelling, mits aan de voorwaarden wordt voldaan:
§2. De vrijstelling geldt uitsluitend voor de maanden waarin de woning daadwerkelijk als opvanglocatie werd gebruikt. Voor de overige maanden waarin blijft de belasting op tweede verblijven van toepassing;
§3. De vrijstelling moet jaarlijks worden aangevraagd;
§4. De vrijstelling kan worden aangevraagd via het e-loket of via het meldingsformulier, dat ter beschikking wordt gesteld op de gemeentelijke website. De aanvraag moet schriftelijk, ondertekend en gemotiveerd zijn, en vergezeld gaan van de nodige bewijsstukken, zoals attesten van erkende instellingen, verslagen van hulpdiensten of gemeentelijke diensten. Een verklaring op eer volstaat niet als bewijs;
Artikel 12 - Bekendmaking
Dit besluit wordt overeenkomstig artikel 286 van het decreet over het lokaal bestuur afgekondigd en bekendgemaakt.